423e bataljon infanterie

Homepage

Dagboek Cor Scheibeler  (laatste deel)
 

30 december
weer een nieuwe order, van nu af mogen we geen wapens meer dragen buiten diensttijd. Alleen bij de wacht of als het opgedragen word. Het wapen gaat nu met een groot slot aan ons bed„ tampatje” vast.

 

 

31december
De laatste dag van het jaar. We gaan met een groepje ongewapend naar de kerk. Het is een avonddienst, de Dominee begint en heeft een prachtige tekst gekozen voor deze avond.„ De tijd gaat voorbij en verdwijnt in de eeuwigheid”. Ook werd er stil gestaan bij de jongens van ons Bataljon die zijn overleden. Dan gaan de rillingen over je leden. We moeten s avonds maar binnen blijven en alles maar voorbij laten gaan.

 

1 januari 1950;

Het nieuwe jaar begint met nieuwe orders, er hangt een heel rooster wat we gaan doen. Een Europese opleiding, exerceren, theorie en veel sport. De jongens hebben er niet veel zin in. De Luit vroeg aan mij, Cor wat is er aan de hand. Je hebt er zo de pee in. Ja, Luit ik heb twee bazen. U geeft me opdrachten maar ik moet ook mijn diensten draaien van de commandant. Dat wordt me teveel. Na een lang gesprek mocht ik in overleg met de commandant lessen overslaan om mijn werk te doen voor de Luit. We gaan s avonds wel eens met een groepje naar de bioscoop, ook is er wel eens een lezing. Op een avond kregen we voorlichting over seksualiteit van de dokter. Men probeert alles om ons bezig te houden. Het was wel interessant toen er een carrier kwam en we daar les over kregen en wat je daar allemaal mee kan doen. Op een dag gaan we naar een jodiumfabriek kijken hoe ze nu eigenlijk jodium maken. Ze pompen zout water uit de grond waar jodium in zit en met allerlei scheikundige verbindingen maken ze jodium, ze kunnen zo in eigen behoefte van Indonesië voorzien. We krijgen ook een lezing over emigreren naar Nieuw Zeeland of Australië. Je kunt dan recht-streek van uit Indonesië emigreren. 

 

27 januari 1950;

Ons soldij is verhoogd met 0,30 per dag. Nu komen we op een bedrag van 63 roepia per maand, een roepia staat gelijk aan een gulden. Dan probeer je 10 roepia over te laten sturennaar huis om te sparen. ´s Zondags gaan we na de kerkdienst naar de grote kantine en drinken er een bakje koffie met koek, dat kost ons 0,35 roepia en ze hebben er ook lekkere flesjes met vruchten sap. Maar O die portemonnee. En dan lopen ze ook nog met saté langs de straat die je kunt kopen. En dan is het gesprek van de dag in de kantine„ wanneer gaan we naar huis”. We horen dat er buitenlandse schepen zijn ingehuurd om de jongens af te voeren. Er wordt in Motjokerto ook veel batik gemaakt dat je ook graag koopt om straks mee te nemen.

 

5 februari 1950;

We gaan weer eens verhuizen, Motjokerto wordt ook overgedragen aan de TNI. Dus alles weer inpakken en klaar zetten voor vertrek. Ook de veldflessen schoon maken en klaar zetten.

Wat is het nu ongezellig, Laten we nog maar eens naar de bioscoop gaan. De volgende dag 5 uur opstaan en even flink aanpakken. Zware kisten en koffers naar buiten brengen. Pressies 7 uur stond de AAT voor de deur en gelijk gaan laden, het meubilair blijft achter. 8 Uur op gaan stellen bij de andere auto s van het bataljon.

Het is wel even wachten maar dan komt de stoet op gang, Eerst de jeep met de groene vlaggen de rode vlag achter. De motorordonnans regelde het verkeer zodat we door konden rijden. We rijden weer langs plaatsen waar we eerder geweest zijn en dan rijden we tussen grote bergen door al maar omhoog, je heb nu een prachtig uitzicht. Wat is die natuur hier prachtig. We rijden zo Malang binnen, we kijken onze ogen uit. Prachtige winkels en restaurants en dan komen we op een prachtig plein met een restaurant, Dat is het Bataljons bureau. De kapitein meldt zich op het Bureau en krijgt nieuwe orders. En dan gaan we weer verder. We komen op de Itjen Boulevard, wat we toen zagen een prachtige straat met Europese huizen met prachtige palmbomen. Maar we rijden door de stad uit. Dan komen we bij een kapot jeugdhuis, ja jongens hier moet je een paar dagen blijven. Het is 11uur het is toch vlot gegaan. We liggen met zijn allen op een grote zaal. Het is hier een stuk kouder. De magen beginnen te knorren, de meesten hadden hun brood al op, dan maar proberen wat blikken stamppot op te warmen. Jongens die nog geld op zak hadden gingen de stad in. Om buurten moesten we een uur op wacht. De volgende dag was het met het eten een zootje het kwam veel te laat en veel te weinig.

 

7 februari  1950
Dan is het zo ver, we gaan posten van de Prinses Irene Brigade aflossen die gaan naar huis. Het licht in de Hollandse buurt. Nu moeten wij wacht voor hun lopen, zij hebben hun wapens al in moeten leveren. Het is hier een gezellige buurt.

 

10 februari 1950
Dan komt een order; Cor je moet mee naar Soerabaja om carriers te halen, je word zo opgehaald, je tampatje moet mee. Na het eten kwam de Powerwagen voor met nog meer Carrier chauffeurs. Het regende dus onder het tentzeiltje op de open laadbak. Het was wel een plezier reisje, de natuur is prachtig. In Soerabaja aangekomen eerst naar het station, daar waren geen carriers. Dan maar naar de haven, daar aangekomen hoorden we„ ga maar terug” Er staan hier wel 100 carriers maar als 2 er van de motoren het doen is het veel. Dus geen carriers naar de trein brengen en naar Malang laten gaan. We gingen terug naar Motjokerto waar we overnachten en de volgende dag weer terug op de auto. Ik voelde me knap beroerd, toch kou gevat op wacht of toch op de auto.

 

13 februari 1950
De Prinses Irene Brigade gaat vertrekken, en wij kunnen de rommel op ruimen maar het brengt nog geld op. Een stapel oude kranten 3 roepia en flessen 0,50 per stuk. Zo nu kunnen we weer wat kopen. We kochten aardappeltjes en er was boter achter gebleven dus aardappeltjes bakken.

 

17 februari 1950
De rest van het bataljon komt ook uit Motjokerto naar Malang. We krijgen ook een andere locatie nu in de Julianastraat. Gauw een leuk kamertje uit kiezen en gezellig maken. Maar ook de kamer van de Luit inrichten. Luitenant RULH wordt nu onze commandant

 

19 februari  1950
Het is zondag en gaan we met een groepje naar de kerk. We zijn te vroeg de kerk begint pas om 10,30 dus even wachten, er is een Maleise kerkdienst. Het is hier een echte kerk we zien veel blanke mensen naar de kerk komen en ook veel militairen. Van daag werd ook bekend dat Luitenant Bervoets wordt over geplaatst, ik had ook wel zin om mee te gaan met de Luit, maar dat mocht niet van de grote baas. De boel inpakken voor de Luit en hem weg helpen en dan zit mijn taak er op.

 

25 februari
Ons peloton begint uit elkaar te vallen. 10 jongens gaan naar de MP lege plaatsen op vullen en er gaan ook jongens een bepaalde opleiding volgen. Het wordt er niet gezelliger op. Dan maar s avonds de stad in, we kopen langs de straat olienoten en die maar lopend op eten.  

 

26 februari 1950
 Het is zondagmorgen en ik moet op wacht bij het Bataljons Bureau. Dan moet je model wacht lopen en het is om 12uur zo heet in de zon. Je ziet dan wel veel mooie meisjes. Ik hoor daar dat er iemand word gevraagd in de officiersmess, daar moet ik toch maar eens goed naar informeren, want het word nu wel een rommeltje.

 

28 februari
Dan komt Luitenant Rulh naar me toe, Scheijbeler je bent overgeplaatst naar de Mess. Je spullen pakken, de auto staat al klaar. De Luit had er zijn lol in, zo Scheijbeler hoepel maar op hoor, je wilt toch weg maar je blijft toch onder mijn leiding. Bij de Officiers Mess aangekomen kennis maken met de messbedienden. Ook je hoekje inrichten. En nu kijken wat ik moet doen. De kok is een dag eerder ook pas gekomen. Er is een oude bediende die ook hoopt weg te gaan. Het is een prachtig huis het ligt aan de Itjen Boulevard.

S Morgens de broodmaaltijd klaar maken en op verzoek een eitje bakken. S Middags de tafel dekken en klaar maken voor het middag eten en opdienen en weer afruimen en afwassen.

En s avonds weer de broodmaaltijd. De kok, die zorgt voor de warme maaltijd geholpen door de djongos en de Baboes.

Het is hier nog niet zo gek, het eten is erg goed en je kunt drinken wat je wilt maar je moet het wel betalen. Er staat een ijskast met allerlei flesjes en flessen. Deze worden koud gehouden door een grote klomp ijs dat in een grote bak zit onderin de kast. We krijgen ieder dag een nieuw broodje ijs. Bij de kast licht een lijst waar je aan moet tekenen wat je er uit neemt.

 

5 maart 1950;

Het is een drukke dag voor ons want er is een feest in de Officiers Mess, ter gelegenheid van twee jarigen en twee die het Bataljon gaan verlaten. We hollen en rennen maar; er moeten stoelen bij komen en er moet gebak besteld en gehaald worden. En dan de keuken in en de tafels netjes klaar zetten. Dan mandiën en het mooie gestreken pak en de gepoetste laarzen aan. De eerst gasten komen één voor één aan druppelen en dan begint de taak van de Mess bediende. Een borrel voor de mannen en koffie voor de dames en limonade voor een Luit die niet dronken wil worden. Het is 2 uur en de maaltijd begint. Er is een menukaart daar staan dure dingen op „La Corbouw” en nog veel meer. Maar ze moeten het toch gewoon doen met de producten die we aangeleverd krijgen. We beginnen met soep en later aardappelen met kool en pudding toe. En tussen de maaltijd door werd een speech afgestoken. En dan opnemen hoeveel er gedronken is want het moet wel betaald worden. Er komt van de dokter een schrijven dat de stad ook zijn gevaren heeft, er lopen hier zoveel mooie meisjes die erg verleidelijk zijn. Wie een keer fout is gegaan moet direct naar de dokter gaan om zich te laten behandelen.

 

11/12 maart 1950
De kok is met verlof naar Soerabaja naar zijn meisje. Ik sta er nu alleen voor. Maar gelukkig helpt de baboe in de keuken. En het gaat allemaal goed en de officieren zijn tevreden. Maar ik ben blij als het weekeind er op zit.

 

17 maart 1950
Ik blijf op bed ik ben ziek, de kok zag het al je heb malaria, veel kinine pillen slikken en op bed blijven. Ik kon mooi drie dagen op bed blijven.

 

19 maart 1950
Wat is er aan de hand; Het geld word gesaneerd. Een briefje van 10 roepia moet je door midden knippen en de ene kant is 5 roepia waard en de andere kant kan je aandelen van de staat kopen. Op de straat geven ze er 2 roepia voor. Ik zat op zwart zaad dus had er geen last van deze sanering.

 

29 maart 1950
Aan het eind van de maand moet ik overleggen met de dokter, dat is de baas over de mess, dan wil hij weten of iedereen alles heeft betaald wat ze gebruiken uit de ijskast. En of alles naar het zin verloopt. Als we ons werk goed doen zijn we verder vrij en dan gaan we s avonds dikwijls naar de stad.

 

4 april 1950

Het is vroeg in de nacht, word ik wakker gemaakt door de djongos. Toean een rampokker„ een dief”. Ik pak mijn geweer en schiet in de lucht en hij wist niet hoe gauw hij weg moest komen. Ik zag hem over een muur van 2 meter hoog springen doe het maar na. Het magazijn met levensmiddelen was goed op slot dus was er niets gestolen. Nu er veel troepen weg gaan neemt het stelen als maar toe.

 

14 april
geheel onverwachts kregen we te horen dat we deze middag weer gaan verhuizen. Wat kan je anders dan de boel in gaan pakken en klaar zetten. We verlaten het mooie huis. Waar we terecht komen valt erg tegen. En toch zorgen dat er s avonds brood op tafel was. Ons kamertje was een donker hok. Wat waren we blij dat we klaar waren met ons werk.

15 april 1950;

Van daag weer een feestje, er wordt een Kapitein en een luitenant beëdigd. We zouden een rijsttafel maken. De kok bleef bij het eten en ik moet voor de rest zorgen en na de maaltijd een borrel verzorgen.

 

22 april
De kok zijn meisje is over uit Soerabaja. Het is een halfbloed, ze heeft een Ned. vader en een Javaanse moeder. Hij wil met haar trouwen. Er was ook een vriendin bij maar ik ben maar aan het werk gebleven en heb me niet te veel laten zien.

 

30 april 1950
De kok zijn meisje is weer over, ze hebben een leuke dag. Maar ze moet met de trein van 5uur mee terug naar Soerabaja. Hij wil trouwen maar hij heeft toestemming nodig. En ze zijn daar niet blij mee. De katholieke kerk werkt dat erg tegen net als de Bataljons Commandant. Na de trein is hij naar het café gegaan. S Avonds kwam hij thuis met een fles in zijn zak. Cor een borrel, ja dat is goed. Maar al gauw merkte ik dat het foute boel was. Hij bleef maar drinken en begon te schelden. Ik schiet al die lui neer en hij begon met zijn revolver te zwaaien. Nu moet ik proberen die grote vent binnen te houden. Een officier die op het lawaai af kwam kon ik waarschuwen dat hij weg moest blijven maar bleef wel om een hoekje staan kijken. En de kok maar zwaaien met een geladen pistool en maar wijzen naar mij„ jou doe ik niks maar die Officieren schiet ik allemaal neer” Maar dat revolver was wel iedere keer voor mijn borst en ik kon die grote vent niet de baas om dat revolver uit zijn hand te krijgen. Dus kalm blijven en maar praten maar het zweet liep van alle kanten van me af. Toen hij misselijk werd had ik even de tijd te roepen dat ze zijn vriend moesten roepen. Dat begrepen ze. Deze kon hem wel aan. Zijn vriend kwam al gauw, en hij kon hem kalm krijgen maar begreep niet dat die revolver weg moest. Ik kreeg geen gelegenheid het hem te vertellen en hij ging zo weer weg. En het verhaal begon weer op nieuw. Gelukkig was hij zo ziek dat ik hem in bed kon krijgen. Het was 2,30 uur in de nacht, ik kon die nacht niet meer slapen de zenuwen waren me de baas.

 
 

 

 

6 mei 1950;

De laatste dagen zijn zwaar want de kok is bij me weg- gehaald en nu moet ik ook nog gaan verhuizen. Gelukkig kreeg ik goede hulp om te verhuizen. Alle troepen werden teruggetrokken in een grote kazerne met veel barakken. Vlak bij deze kazerne was een heel groot huis daar ging de mess in. Het is weer een echt Indonesisch huis. Je komt in een grote hal en er zijn aan de zijkant slaapkamers, hier slaapt de dokter en in de andere kamers officiëren. En er is ook een keuken. Achter het huis is een open ruimte waar gekookt wordt en gewassen. Naast deze ruimte zijn allerlei bij bijgebouwen. Aan de ene kant de mandie ruimte en de WC en het magazijn en aan de andere kant begint ons verblijf en daar achter het verblijf van de Djongos „kok” met zijn vrouw deze koken voor ons. En daar achter de vertrekken van de baboe s van de Officieren en ons. Met de post komen steeds kranten knipsels mee overschepen die jongens naar huis brengen. En nu een knipsel dat er geen pakjes meer gestuurd mogen worden naar het bataljon 422 en wij zijn 423. Het komt in de buurt. Dit klinkt als muziek in onze oren. We zijn natuurlijk altijd wel blij met een pakje dat geeft afleiding en gezelligheid. Ik hoorde dat de kok gaat demobiliseren. Daar voor moet hij naar Djakarta toe en dan zou hij kunnen trouwen. Als ze hem maar niet op de boot zetten!

 

 

WANNEER GAAN WE NAAR HUIS?

 

18 juni 1950

Nu horen we weer dat bataljon 423 nog niet weg gaat. Eerst gaan nu alle KNIL militairen op de boot, voor dat de laatste militairen naar huis gaan. Het kan nog wel even duren eer wij aan de beurt zijn. Zit je’ s middags lekker te schrijven, schrik je in eens, wat gebeurt er. Ik zat te schudden op mijn stoel en de balken boven me begonnen te kraken en in eens was het over. Een lichte aardbeving. Alles bleef gelukkig heel. Het is erg druk in de Officiersmess, er zijn 0fficieren bijgekomen van een andere Officiersmess. Daarom heb ik om hulp gevraagd. Ik kende een jongen van ons peloton, hij was bakker geweest en zou dit werk best leuk vinden. Ik heb aan hem gevraagd en hij wilde graag komen. Bij het maandelijkse overleg met de Dokter, vroeg de Dokter aan mij; We worden die rijst zo zat kan je nu niet eens voor aardappels zorgen. Ja, dat kan ik wel maar dat kost geld. Ja, maar dat hebben we juist niet. Ik weet wel wat; In het magazijn staan verschillende bussen met pindakaas en vruchtenhagel en tuttifrutti waar we niets mee doen. De dokter zij toen, je kijk maar, ik weet van niets.

Dan naar de Chinees, deze wilde de pindakaas graag kopen en dan naar de markt om aardappelen te kopen. En nu kregen ze een paar keer in de week gebakken aardappelen. Op de markt was het zo leuk ze begonnen al te roepen „ toean toean” aardappelen, maar als er niet geroepen werd door de inlanders dan voelde ik me niet op me gemak en ging ik maar terug en dacht ik een andere keer beter. Nu we samen zijn het werk doen kunnen we ook samen naar de bioscoop als afleiding, dat is een stuk gezelliger. Op een dag komt de kok naar me toe. Toean moet een kippetje kopen. Kippetje kopen? Ja, ik een maaltijd maken voor jullie tweeën van dat kippetje. Wat was nu de bedoeling als hij nu een avond maaltijd voor ons maakte dan hadden zij ook een maaltijd kip. Ik heb een kip gekocht en we hebben een maaltijd gehad zo lekker! Wij kregen het lekkerst van de kip en zij hadden de rest van de kip. Wat kunnen die Indonesische toch lekker koken.

 

8 augustus 1950
Het heeft lang geduurd, maar op een order is nu te lezen; Dat ons Bataljon volgens het voorlopige schema 10 september scheep zullen gaan. Het komt een beetje onbegrijpelijk over, daar heb je zo naar uit gekeken. Het werk in de keuken en de mess loopt met zijn tweeën heel goed. En hebben nu tijd om op tijd te rusten en te schrijven en soms sluiten we de boel af en gaan naar de stad. Van de jongens in de kazerne horen we dat ze het zo zat zijn dat wachtlopen en al die lessen, ze worden gewoon bezig gehouden

 

17 augustus 1950
het is een feestdag voor de Inlandse bevolking, wij mogen de poort niet uit het is dan te gevaarlijk om op straat te lopen. We zijn nu bezig om onze spullen die we gekocht hebben in de kist te doen en met spijkers en schroeven goed stevig te maken zodat deze niet uit elkaar kan vallen. Het adres er op en deze staat klaar.

 

 

28 augustus
De kisten worden van daag op gehaald en beginnen al vast aan de lange reis.

29 augustus 1950;

Het is dinsdagavond, en er is een herdenkingsdienst in de Ned. Hervormde Kerk in Malang. Al was het voor de militairen, er waren ook veel burgers met de jongens mee gekomen waar ze bevriend mee waren geraakt. De kerk zat helemaal vol. Het was een bijzondere dienst. Ook werden de namen van 9 gesneuvelde militairen van ons bataljon op gelezen en dan moet je wel even slikken. Bij het eindigen van de kerkdienst werden twee coupletten van het Wilhelmus gezongen en dat klinkt fijn.

 

31 augustus
Vandaag krijgen we voor het laatst voeding aangeleverd er wordt dan ook voor de laatste keer gekookt in de Officiersmess. Het ging allemaal gewoon want een feestje er van maken kon niet daar hadden we de middelen niet voor. S Middags kwamen ze zelfs al onze keuken spullen op halen o.a. potten pannen en bestek en zelfs de stoelen moesten mee en tafels en kasten. Het was in eens een hele kale boel. Nu eet ieder in zijn onderdeel en wij kregen eten van de keukenwagen. Bij het opruimen konden we nog een heleboel verkopen, en in eens waren we rijk maar wat moet je nu nog met dat geld doen, dan maar naar de stad eens lekker gaan eten.

 

2 september
De laatste avond in Malang, we sloten de boel af en gingen toch de stad weer in. In de stad aangekomen zagen we al jongens koffie drinken in een bar. Dus sloten we ons er bij aan en dan toch maar weer naar de bioscoop, wat moet je anders. 

 

3 september
Deze morgen moeten we 5 uur uit bed. Dat is natuurlijk veel te vroeg, maar er staat veel te gebeuren en we kunnen geen risico lopen. De spullen inpakken. Het tampatje in de plunjezak en de rest in de koffer. Deze moeten zo snel mogelijk naar de kazerne worden gebracht. De rest moet in de grote ransel; messtins, mes, vork, lepel, toiletartikelen, deken en verschoning Men moet er rekening mee houden dat we een paar dagen onderweg zijn. De veldfles, ransel en geweer moeten bij de persoon blijven. Brood klaar maken en veldfles vullen en dan naar de kazerne. En dan scheiden onze wegen, ik ga naar de B Compie. En mijn maat naar de Staf. Daar aangekomen hoorden we dat we 11 uur vertrekken in gelid aantreden en dan begint de afmars naar het station. Het is nog een hele stoet soldaten. De afstand is niet zo groot, het loopt makkelijk aan. Bij het station aangekomen gelijk het perron op en de trein in. Het word nog een gezellige boel, een heleboel kennissen kwamen nog afscheid nemen.

12,30 Uur Vertrok de trein en begint de reis. De locomotief werd gestookt met hout, deze rookte vreselijk we werden goed zwart. De boterhammen werden al opgegeten uit verveling.

2,30 kwamen we aan in Soerabaja, hier werden we al gauw op vrachtwagens van de AAT naar de boot gebracht. Het ging allemaal zo vlot. Bij de boot even wachten op je beurt, op alfabet gingen we de boot op.

3 Uur waren we aan boord. We moeten wachten tot de volgende dag dan komt de rest van het Bataljon, er moet 1680 man aan boort komen. Het eten is prima weer Hollandse kost.  S Avonds kregen we een film dat gaf afleiding. En dan slapen in het ruim, het was niet te harden zo heet als het was.

 

4 September 1950
12 UUR was alles aan boort van de S S Waterman en konden we vertrekken . Alles is aan boord, er lopen nog kennissen op de kade en dan komt het muziekkorps en die spelen het Wilhelmus.

Het is 2,30 uur als de loopplank werd opgehaald en de sleepboten trekken de boot van de wal. En dan voelen we de motor gaan draaien. Er werd nog geroepen maar het geluid verstomde je kunt niets meer horen. Hier kwamen we vorig jaar aan en nu vertrekken we weer. Het is een vreemd gevoel. En nu is het schip in de vaargeul tussen Java en eiland Madura en we zien het landschap aan ons voorbijgaan. En dan is het toch koers naar zee. Je blijf een poos staan kijken en laat de herinnering aan je voorbijgaan. Dan toch maar een hapje eten.

 

5 september
We varen in volle zee en zien geen land. Dan maar gaan eten het is 12 uur en dan weer gaan kijken of er land in zicht komt. Het is 2 uur en daar komt de haven in zicht. Van de loods mogen we nog niet naar binnen varen. Het duurt dan ook nog al even en dan mogen we naar binnen.

Om 6 uur gaan de eerste troepen van boord. Wij mogen nog niet van boord want onze bagage ligt onder in het ruim. Voor ons wordt nog een film gedraaid maar het stelde niets voor maar het gaf afleiding. Dan nog maar een keer onder de zoute douche.

 

6 september

Om 5 uur kwam de muziek uit de geluidsinstallatie dat betekent opstaan. wassen, aankleden de boel inpakken en wachten wat er gaat gebeuren,

 

 9 uur gingen we van boord en in de auto’s zo naar het station in Djakarta en de trein in.

11 Uur vertrok de trein getrokken door een locomotief gestookt met hout en rookte weer flink. Bij Poerwakarta ging het langzaam aan hij moest gaan trekken de bergen in, al maar hoger. Op het station zagen we dat we 780 meter boven de water spiegel waren. Bij ieder station renden de jongens de trein uit om wat te kopen het waren net een stelletje schooiers. De locomotief moest iedere keer water en hout in nemen. Als de fluit ging renden de jongens de trein weer in. Het was wel een mooie reis langs diepe dalen en ravijnen. We gingen nog één maal door een tunnel, het was niet te harden, warm en dan die rook die op je adem sloeg. Zo kwamen we in Tjimai aan, de auto’s staan al klaar. Na 10 km gereden te hebben kwamen we in een groot kamp het was inmiddels donker geworden. Hier kregen we een grote loods. Het eten stond al klaar. Gauw om brood en koffie en eten en dan lekker wassen, ik liet het water lekker over me heen gaan. Nu wachten op de bagage dan pas kon het tampatje worden opgezet. 10 uur konden we gaan slapen.

 

7 september

Om 7 uur opstaan en dan lekker wassen.

9 Uur appel, waar dan bekend werd gemaakt dat we het kamp niet uit mochten. De wapens en munitie moesten worden ingeleverd en we gaan weer verhuizen. We kwamen in een kamp zonder verlichting en kantine knap ongezellig.

 

 

 

9 september 1950

8 Uur appel en 9 uur werden we doorgelicht en we moesten het Europese pak of gaan halen. Ik kreeg een aardige broek, windjack, overhemd, stropdas en baret. Ik ontmoete ook twee buurjongens van thuis, we hebben gezellig zitten praten. En ’s avonds naar Bandoeng waar we eens heerlijk uit zullen gaan en ons geld gaan uitgeven. Ik kocht nog wat lepeltjes van Djokja zilver die kan je nog gemakkelijk mee nemen.

 

10 september

zondag, er was een kerkdienst en er werden ook pasfoto’s gemaakt. En’ s avonds toch maar naar de bioscoop in Bandoeng. Met de pendelauto 10 KM rijden.

12 september

Vandaag kregen we nog een Kadi pakket, hierin zaten 6 x 50 sigaretten in blik,12 repen chocolade 1 blik vruchtenlimonadesiroop 2 stukken toiletzeep. Ik bewaar het maar voor op de boot. Ook kreeg ik de laatste brief van het meisje er zat ook nog een foto van haar bij. De buurjongen kwam nog even langs, we konden eens lekker praten.

 

14 september 1950;

WE GAAN VERTREKKEN!

4 Uur opstaan, alle bagage klaar maken en klaar zetten en naar de auto’s brengen. Het tampatje weg brengen en in- leveren  Hoe dikwijls zou ik dat tampatje nu wel hebben verplaatst!

 6 Uur afmars naar de trein, het gaat allemaal erg rustig.

7 Uur vertrekt de trein, er werd nog gezwaaid en dat was het dan. Er staat een locomotief voor die gestookt werd met kolen dat gaat heel wat sneller en je word niet zo zwart. Achterop iedere wagon staat een remmer en op sein van de machinist moeten ze gaan remmen.

In de bergen werden de remmen gebruikt om de trein wat af te remmen. Er werd zo hard geremd dat het achtereind van de trein af brak. Het is een prachtig gezicht te zien hoe later het achterstuk de berg af kwam sukkelen, weer werd vast gemaakt en dan gaan we weer verder.

 

 13 Uur waren we in Tandjok- Priok hier met je bagage naar de auto’s van de AAT deze brachten ons naar de haven. Hier gaan we per afdeling langs de administratie en krijgen ook een etenskaart aangereikt. En zo gaan we met al onze bagage de boot op. Wie gaat daar de boot weer of met al zijn bagage! Zijn Borstfoto was niet goed. Die jongen had het niet meer hij moet weer wachten op de volgende boot. De kade is inmiddels vol gestroomd, ook het muziekkorps is gekomen.
Dan wordt de loopplank op gehaald en de muziek speelde het Wilhelmus. En langzaam verlaat de boot de haven en gaat naar volle zee. Aan boord van de SS General Ballou werd het erg stil. Het is allemaal vreemd aan boord. Het schip is groot en vreemd voor ons, je weet niet in welk ruim we slapen. Zo staan we nog een poos aan de reling terug te denken. Het was toch een mooi land en de mensen zijn er zo lief. Er wordt weinig gesproken je staart naar de zee. We kwamen met de boot en zo gaan we weer met de boot terug

 

15 september 1950

Het schip minderde snelheid en ging tegen de wind liggen. Want er was een jongen die moest worden geopereerd aan zijn blinde darm. Dat duurde 3 uur. We moeten allemaal weer wat doen op het schip en verder de dagen tellen en de zeemijlen tellen of eigenlijk aftellen.Het schip moet nu 10 dagen varen om in Aden te komen. We zullen niet veel land meer zien.

 

 

17 september`1950;

Het is zondag en er is om 10 uur kerk dienst gehouden op het boven dek, waar een gedeelte afgesloten was. Maar eerst moesten we het trappenhuis schoon maken. En vandaag ging de klok 1 uur achteruit. Er is iedere dag appel. S morgens om 9 uur en s middags om 1,45 uur, kijken of ieder nog aan boord is. En verder ben je vrij.

 

19 september

Vandaag kregen we voor f 30,00 aan boord geld. Daar kon je op de boot in een winkeltje wat spullen voor kopen. Wat toiletartikelen en limonade. Ook kregen we sigaretten. Het eten is voor ons erg vreemd, Je kreeg altijd een warme hap en een paar boterhammen er bij zonder boter. De bedoeling was dat we die boterhammen op aten bij die warme hap. We kregen de indruk dat alles uit bik kwam of uit de diepvries.

23 september;

Iedere dag worden de zeemijlen goed bij gehouden, We zijn nu in de golf van Aden. We zien nu af en toe schepen die mee varen op afstand en er komen er ook ons tegemoet.

24 september;

Het is 7, 30 en de haven van Aden komt in zicht, Het is geen haven zo als in Rotterdam het is een grote inham. Het schip wordt vast gemaakt aan grote boeien. Het moet olie tanken. Er komt een grote drijvende olie slang richting het schip en mannen brengen hem aan boord.

 

HET LAATSTE STUK VAREN


 De Generaal Ballou is een Amerikaans schip, het zal wel troepen naar Korea hebben gebracht en op de terugweg ons zijn komen ophalen en naar huis brengen. Het is een vracht schip dat omgebouwd is als troepentransportschip. Het is een groot schip het ligt vast in de golven, maar is niet zo snel als de Waterman.

 

25 september 1950;

De boot heeft de haven van Aden verlaten en we varen nu in de Rode Zee. Je kunt merken dat je aan weerskanten nu land hebt, het is hier veel warmer. Het is een stille zee, het lijkt wel of de boot harder vaart. O wat is het warm in dat ruim, ik ga op het dek slapen met mijn deken onder me. Maar wel een plekje zoeken, overal lagen de jongens te slapen op het dek.

 

26 september

Het belletje gaat. Het signaal „Sloepen rol”. Allemaal snel naar beneden om je reddingsvest aan te doen en dan naar je sloep waar je bij hoort. De bootsman staat ons op te wachten en we krijgen nog uitleg in geval het nodig mocht zijn.

 

28 september

’s Avonds 21, 30 uur varen we bij Suez we zagen de lichtjes van de stad. De boot gaat voor anker. De volgende morgen om 8 uur werden de ankers gelicht en gaan we varen. Nu stomen we langs de stad Suez, we kunnen nu alles goed bekijken nu het dag is, het is een prachtig gezicht. Nu stomen we met een gangetje van 10 KM per uur het kanaal in. Het Suezkanaal is denk ik 70 a 100 meter breed. In een van de meren moeten we weer wachten op het konvooi dat van de ander kant komt en ons passeert. Aan de ene kant is het allemaal zand wat we zien en de andere kant is erg vruchtbaar daar groeit van alles er loopt ook een grote weg. Om 21 uur varen we Port-Said binnen. Alles prachtig verlicht en al die reclame en dan ons konvooi was ook helemaal verlicht en ieder schip een schijnwerper voor op. Ons schip wordt in de haven vast gelegd.

 

 

29 september 1950

Er werd weer gehandeld maar we hadden geen Hollands geld om wat te kopen. Ook werd er gebunkerd. 2,30 Uur voeren we de haven uit en gingen we de Middellandse Zee op. Het werd een stuk kouder je trekt graag een lange broek aan. We zullen niet zo veel land meer zien. Het corvee gaat gewoon door, ook onze ploeg moest om de beurt helpen afruimen en afwassen in de eetzaal

 

2 oktober 1950;

’s Middags kregen we geneeskundige inspectie om te kijken of we geen ziektes van uit Indonesië hadden mee genomen. Allemaal in ons blootje en alle mannen moesten hun--------- „militairen hebben daar een uitdrukking voor” laten inspecteren. Kijken of er mannen zijn met geslachtsziekte.

 

3 oktober

Deze avond kwamen we bij Gibraltar, het is al donker we zien wel de lichtjes en de berg zie je in het maanlicht en zo varen we ongemerkt Gibraltar voorbij.

 

5 oktober

Nu varen we in de Golf van Biskaje, het is koud en het waait behoorlijk. Je moet je vertier maar in de eetzaal zoeken op het dek is het niets. We moeten nu verplicht ons gewone pak weer aan. De jongens zijn al volop aan het koper poetsen en schoenen poetsen het moet toch netjes zijn als we van boord gaan. Het eten gaat knap vervelen, al die liflafjes, we krijgen trek in Hollandse kost

 

7 oktober
Al ijsberend over het dek zocht je een plek aan de reling uit. Ja, het kan nog weleens uur duren, maar het eerste stukje Nederland wil ik zien. Maar het is wel koud aan dek. Er begint toch leven te komen, we zien boeien in zee en zien schepen die moeten wachten, en dan draaide het schip bij en zien we Hoek van Holland. Wij mogen binnen varen. Ik ga gauw naar beneden om mijn volgorde kaart op te halen om straks van de boot te kunnen. Mijn Vader zal wel met zijn bootje bij Vlaardingen op ons wachten en dan wil ik boven zijn. Toen ik boven kwam zag ik het bootje van mijn vader achter ons aan varen, Hij kon de SS Ballou niet bij houden. Pas bij Schiedam toen de boot zachter ging varen kwamen ze langs zij en kon ik met hun praten. De gehele familie was aanwezig en ook het meisje was er bij ze ziet er goed uit. Ik heb ze toch even gezien, dan is er toch wat spanning af. Er varen nog meer boten met families aan boord. 11 Uur lag de boot voor de wal, en nu is het wachten. Ik heb nummer K, en je moet wachten dat ze dat af roepen, ik krijg anders wel vreselijke honger.

2 Uur; Jawel hoor daar gaan we over de loopplank naar omlaag Hier staan ze klaar om je een prik in je vinger te geven voor een druppel bloed. Dan langs een tafel waar je geld krijgt om een pak te kopen en een heleboel papieren en dan naar je bagage, en daar krijg je wat te eten en een paar appels en een kop koffie En dan zien we al bussen staan die ons naar huis zullen brengen. Dan word ik opgeroepen, ik tref het, er staat een grote taxie waar we met vier man ingaan, ik zelf en nog drie voor het Westland. Al heel gauw stond ik voor de deur van ons huis, men had niets gemerkt, maar al gauw kwam mijn moeder naar de deur om open te doen en me te ontvangen. Een zenuwachtig handdruk en een zoen en het meisje en familie. En dan zit je daar in een stoel en O wat is die kamer klein. Ik ben helemaal leeg, je weet niet wat nu. Je bent zenuwachtig en het praten vlot niet. Maar het zal wel slijten. Een week later word ik getrakteerd op een filmavond. De film gaat over de bevrijding van Walcheren in de 2 de Wereldoorlog, toen Walcheren onder water werd gezet. Toen ik dat zag kon ik de spanning niet verdragen. Wat is er met mijn zenuwen gebeurd?

 

DAN AAN HET WERK.

P. S

Ik ben terug gegaan naar mijn oude werkgever deze moet je terug nemen. Maar hij had voor mij al een ander in dienst genomen. Ik ben een kleine periode daar nog geweest maar moest op zoek naar een andere werkgever. Dat was niet eenvoudig. Er zijn velen duizenden militairen terug gekomen die aan het werk willen. Op de middelbare tuinbouwschool moesten ze me ook toelaten, maar O wat was dat moeilijk om op gang te komen. Het was hard knokken om mee te komen en toch heb ik met goede cijfers de eindstreep gehaald.